Fien kwam bij mij in de praktijk, omdat ze last had van onzekerheid.
Over een paar maanden ging ze naar de brugklas en dat vond ze eigenlijk best wel ‘een soort van’ spannend. Haar meester had haar Havo-advies gegeven, maar ze twijfelde zelf of dat wel bij haar paste…..   Spelling vond ze ‘vet lastig’ en ook bij rekenen snapte ze niet altijd alles. ‘En mijn moeder zegt ook dat het alleen maar moeilijker wordt.’
Ik vroeg haar naar de Fien die ze over 10 jaar zou willen zijn. Bij deze vraag begonnen haar ogen te glimmen. En ze begon te vertellen. Over haar plannen, wensen en dromen. Ik voelde dat ze bijna niet kon wachten op deze Fien. Maar opeens was er iets. Rode blos, hoge adem, verlegen blik. Alsof ze ergens van schrok, zich betrapt voelde. Ik vroeg ernaar. ‘Ja’, zei ze, ‘al die ideeën en plannen…… Ik denk toch niet dat het gaat gebeuren. En er is ook niemand die dit van mij weet.’

We spraken erover hoe het zou zijn als anderen deze mooie plannen wél zouden weten. ‘Het zou voelen als een opluchting én als een overwinning’, zei Fien. Voor Fien was het al snel duidelijk wat nodig was. Ze vond ‘Powerpoints’ maken superleuk én ze was er goed in. Dát ging ze doen! Haar klasgenoten zouden in één keer weten welke plannen ze had. De presentatie had ze binnen een dag af; de meester was ingelicht en had er tijd voor vrij gemaakt.

Toen kwam er een mailtje van Fiens moeder. Eigenlijk vond ze het helemaal geen goed idee van de presentatie en dacht dat het voor Fien beter zou zijn om ervan af te zien. ‘Je weet maar nooit hoe dat soort dingen vallen’, legde ze uit. Ik nodigde haar uit voor een gesprek. Ik herkende de rode blos en de hoge adem. Uit haar blik sprak angst en tegelijkertijd een enorme vechtlust. Uit haar verhaal werd duidelijk dat ze het voor Fien écht anders wilde. Niet zoals zij het had meegemaakt. Haar emoties beletten haar om goed uit haar woorden te komen.

Ik stelde voor om het gesprek op een andere manier te doen. Een manier waar voelen en ervaren het overnemen van woorden. Ik vroeg haar 2 tegels te kiezen en neer te leggen in de ruimte. Eén voor haarzelf en één voor Fien. Moeder legde haar tegel neer en legde de tegel van Fien er schuin onder. Ik vroeg haar op haar eigen tegel te gaan staan. Ze aarzelde. ‘Dan sta ik boven op Fien….mag dat wel?’, vroeg ze. ‘Doe maar’, zei ik. ‘Het antwoord op je vraag komt vanzelf.’ Dat deed ze. Ze stond op haar tegel. En op Fien. Héél kort. Snel stapte ze er vanaf. ‘Dat voelt niet gezond’, zei ze. Ze wilde iets veranderen.Ze verlegde haar eigen tegel op zo’n manier dat er ruimte ontstond tussen beiden. Vanaf haar plek kon ze Fien nu helemaal zien. Het raakte moeder. ‘Ze kan het zelf’, zei moeder, ‘en nu ik nog….’ Ze lachte door haar tranen heen.

Later vertelde Fien mij dat de presentatie heel goed was gegaan. Iedereen wist nu wat ze wilde en ze voelde zich zekerder dan ooit!

Marjanne Roodenburg